Ondoenlijk

Winnie's website

Category: Blogs (page 1 of 8)

Weesje

De toestand is voorspoedig. De Nederlandse teller stond in de afgelopen twee jaar op 2 (2017) en 7 (2019). In 2018 0, maar, laten we eerlijk zijn, dan tellen we de 26 van dat jaar, van iets zuidelijker niet mee. Denk eens aan al die rapportages waarin, in een zin een reeks landen genoemd wordt die een actieve en substantiële bijdrage leveren. Nederland staat daar dus altijd tussen. Twee en zeven. Zeven en twee. Goede aantallen om te marchanderen, en daar gaat het tenslotte om.
De toestand is inmiddels zodanig positief dat we er per 31 oktober collectief 66,9 miljoen op achteruit gaan, als alles gaat zoals Boris Johnson het plant, en laten we wel wezen, dat is een man die weet wat hij aan het doen is, dat zie je aan alles.
Natuurlijk, we kunnen raisonneren dat de toestand erg geweest is. Vreselijk zelfs. Maar dan denken we aan Tina Turner, en kunnen we denken zoals zij: “I had a terrible life, I just kept going. You just keep going and you hope that something will come. This came.” Volhouden, de moed erin houden, zelfs als alles tegen lijkt te zitten, dat is waar wij Nederlanders van gemaakt zijn. En laten we wel zijn. Voor die zeven en die twee, of twee en zeven afhankelijk van welke kant je op kijkt, maakt het ook alle verschil. Dat komt wel door ons hè? Dat hebben wij gedaan met z’n allen. De Nederlandse waarden klinken luid en duidelijk door de hele toestand heen. Democratie! Moraal! Humaniteit!
Nu hoor ik u vragen, maar wat te denken van die half miljoen die nog in Libië zitten en wachten op ‘herplaatsing’? Denkt u daar nu maar niet te veel aan, straks krijgt u nog van die onhollandse rimpels in uw mooie gezichtje. Die half miljoen staan alleen in de boeken van Libië en Het Collectief. Ok, misschien dat we er volgend jaar hier dan nog eentje kunnen doen, maar dat moet dan wel echt de laatste zijn. Een weesje. Dat zijn eigenlijk de mooiste. Door God verlaten, eenzaam en alleen, dwalend in de woestijn als een Mozes van de 21e eeuw, uiteindelijk aankomend in het Beloofde Land. Mooi voor een verhaal op tv of een goede foto met hashtag met een van onze vertegenwoordigers, en buitengewoon geschikt voor een kader met een persoonlijk verhaal in het jaarverslag als toevoeging op de cijfers. Ik wil maar zeggen: Het Collectief heeft een plan en wij dragen eraan bij, dat mag ook wel een keer onderstreept worden, want onder aan die streep levert dat resultaat op, hoe je het ook wendt of keert.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Sorry voor de posts!

Dag allemaal,
Iedereen die op mijn mailinglijst staat is vandaag gespamd met berichten van mij. Ik heb mijn werk van Vileine op deze site gelinkt, en ik kon de meldingen hiervoor niet handmatig uitzetten. Excuses voor de overlast.
Groet, Winnie

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Denkwerk voor de grote jongens

Vandaag las ik in de New York Times een artikel met de titel Organoids Are Not Brains. How Are They Making Brain Waves? Blijkbaar hebben een aantal wetenschappers hersencellen gekweekt ter grote van een speldenkop en die de ruimte in geschoten, waarna een hoopvolle wetenschapper nu denkt dat ze zich als muizen vermenigvuldigen en er straks een doosje op aarde landt met veel grotere organoïden. Dat is nog tot daaraan toe. Maar de speldenkopjes blijken ook nog hersengolven te vertonen, tot grote verbazing van de wetenschappers. Het verbaast mij ten zeerste niet. Het zou niet de eerste keer zijn dat iets dat overduidelijk geen hersenen bevat toch in staat is een activiteitenpatroon te vertonen dat lijkt op dat van een prematuur geboren kind. Allereerst gaan de gedachten van ons allen natuurlijk uit naar de president van de Verenigde Staten. De president die in een tweet eerder vandaag verwees naar de media als “beyond fake, they are corrupt” direct nadat hij nog wat racistische dingen over een viertal congresleden had geroepen. We kunnen in zo’n geval alleen maar concluderen dat er inderdaad sprake is van iets dat lijkt op hersenactiviteit, en dat zou moeten worden toegejuicht. Zoals iedereen weet moedig je een kind in de eerste staten van haar ontwikkeling aan door bij het minste of geringste met een blik van verwondering toe te kijken en een kreet van aanmoediging te slaken: “knap hoor!” Helaas heeft de heer Trump gelijk als hij zegt men te kritisch is; op zijn ontwikkelingsniveau past een andere vorm van bejegening waar de journalisten, jammer voor Trump, nu eenmaal niet bekend mee zijn. Om diezelfde reden groeien alle kinderen van journalisten voor galg en rad op, en horen we niet zelden de verhalen van tienerzoons en -dochters van Telegraaf journalisten die inbreken in woonboten en daarna wekenlang als voortvluchtigen onder bruggen slapen op kartonnen dozen, totdat ze uiteindelijk voor het gerecht worden gesleept, al waar ongerapporteerde doofpotcriminelen door middel van politieke druk en handjeklap er voor zullen zorgen dat u en ik nooit van deze affaires zullen horen.
Maar Trump staat niet alleen in dezen. Wat te denken van Poolse premier Mateusz Morawiecki, vandaag de start van de de Tweede Wereldoorlog herdenkend, die niet al te lang geleden nog riep dat teruggave van eigendommen aan Joodse slachtoffers van diezelfde Tweede Wereldoorlog of hun nabestaanden een “overwinning voor Hitler” zou zijn? Wellicht zouden we de hoopvolle wetenschapper kunnen vragen of we Morawiecki ook de ruimte in mogen schieten om te kijken of hij daar beter van wordt. Hoop is immers dat waar we ons aan vast moeten houden in deze bange tijden. Bolsonaro? Veel meer dan een speldenkopje activiteit kan daar niet in zitten, en dan meet ik me de pretentie aan me bescheiden uit te drukken. Dichter bij huis vinden we Baudet, en al die mensen die een sigaret van metaal hebben die ze een ‘vapor’ noemen. Van beiden blijk je van verkeerd gebruik de volgende symptomen te kunnen krijgen: moeilijk ademen, duizeligheid, kortademigheid, pijn op de borst, hoesten, overgeven en diarree. Zij die gezegend zijn met meer dan een speldenkopje hersengolven zouden er eens over na kunnen denken Baudet zelf te voorzien van een vaping-device. Die man is immers ook een keer per jaar jarig, en één en één is twee, ook voor minimale hersengolfjes.
Mocht u zich na het lezen van dit artikel afvragen waarom u zelf niet op al deze dingen bent gekomen, dan is er goed nieuws: de eerste commerciële ruimtevaarten staan voor dit jaar gepland, en kosten slechts een kwart miljoen dollar.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Beginnen

De kunst van het kunstenaar zijn is je eindeloos bezig houden met het perfectioneren van het begin van je werk, aldus Robert Henri in zijn boek The Art Spirit. Als je niet begint, kun je ook geen midden maken en al helemaal geen eind. Zelfs als je met het einde begint is er een begin, en dat begin moet geperfectioneerd worden. Je kunt weigeren te starten, maar als je daar ruchtbaarheid aan geeft ben je al begonnen. Dat kleine kloddertje verf hier in de hoek, dat is het begin, of je het nou wil of niet. Het lacht naar je, grijnst, valsig misschien wel, terwijl het zijn waterige kleur over je pagina uitspreidt en langzaam de overhand krijgt. Deze onappetijtelijke vlek had helemaal niet het begin moeten zijn. Het begin had beter moeten zijn, mooier, eleganter, met veel meer zeggingskracht zodat je er gelijk helemaal in zit. Maar ja, dit is nu eenmaal het begin, en het enige dat je nu nog kan doen is het perfectioneren. Met een goed idee, of welk idee dan ook, alles is beter dan die rare vlek. Misschien nog even wachten tot het perfecte idee je te binnenschiet. Gewoon even wachten. En wachten. En wachten.
En daar zit je dan te wachten, op het perfecte begin, als een man met een grijsbruine Stetson en een lange regenjas die op de bus wacht terwijl het al urenlang miezert. Zo’n man die onverstoorbaar staat, handen in de zakken, voor zich uit starend, in gedachten over god weet wat. Zo’n man die je doet realiseren dat alle andere mensen net zo’n rijke innerlijke belevingswereld hebben als jijzelf, die voor jou voor altijd verborgen zal blijven. Een man die net te oud is om nog soepel te kunnen worden met een smartphone; hij was al blij dat hij die telefoon met die knopjes onder de knie had. Bellen lukt nog best, alleen al die andere dingen gaan met een slakkentempo, weet hij zelf ook, maar zo is het nu eenmaal. Hij telt zijn stappen niet, hij houdt zijn calorieën niet bij, hij maakt foto’s van momenten die nét voorbij gegaan zijn, en altijd zonder filter. Zoals het leven op zijn mooist is, vluchtig en ongeregistreerd. Als je het hem zou vragen zou hij je de beste verhalen kunnen vertellen over zijn leven, zoals alleen mensen die een Stetson dragen dat kunnen. Het soort verhalen waarvan je gelijk denkt: ja! dat doet ertoe, met een suspense die je nooit zou hebben bij de verhalen van een tweeëndertigjarige marketingmedewerker met een te strak wit t-shirt en een fedora van de Zara (je weet wie ik bedoel. Grijs wollen pantalon en hij heet Cheaien, maar dat spreek je uit als Kian. Kan hij natuurlijk ook niks aan doen, maar toch.) Hij zou je kunnen vertellen over de ontvoering of over die keer dat hij net te laat was, en het maakt dan niet eens meer uit waarvoor, omdat hij een stem heeft waar je eindeloos naar zou kunnen luisteren. Hij zou je moeiteloos kunnen helpen met je cryptogram. ‘S nachts een angstaanjagend dier? ‘Nachtmerrie!’ roept hij gelijk. Job’s idee? ‘Banenplan!’ Iemand die kan klaverjassen als geen ander, maar zich er niet op laat voorstaan. Tenzij je het vraagt, want eigenlijk is hij er best trots op dat hij zo vaak wint en hij had het nog geleerd van zijn vader en over hem heeft hij ook nog wel een paar dingen te vertellen, nu hij er toch over begonnen is. Iets met streng, maar rechtvaardig. Stal een boot met aardappelen van de Duitsers in de oorlog. Intimiderend, vond hij als jongetje. Of misschien is indrukwekkend een beter woord? Hij weet het niet. Misschien allebei. Hij praat alsof hij ieder woord zorgvuldig heeft afgewogen, en tegelijkertijd alsof het gewoon uit zijn mond rolt, zonder dat hij er moeite voor hoeft te doen. Terwijl jij stamelt en hakkelt, voor je gevoel dan. In ieder geval niets hebt van de vlotte babbel van Kian, laat staan van de welbespraaktheid van een man met een Stetson. Hij zou het hoofdpersonage kunnen zijn, of een man waar je toevallig even naar keek terwijl je zelf stond te wachten of je overleden opa of je andere overleden opa of een combinatie van die vier. Maar hoe dan ook staat hij daar onverstoorbaar te wachten, geduldig, alsof hij iets meer weet dan jij. Alsof hij weet hoe het begint; alleen nog wacht tot het licht dimt, het toneel oplicht, de stilte begint te overheersen en dan doorbroken wordt als de eerste woorden vallen. Terwijl jij nog staart naar die vlek, waarvan je niet weet of het een toneel is of een schilderij of een tekst; terwijl jij die vlek nog aan het perfectioneren bent, omdat je zo stom was met het begin te beginnen, terwijl je had moeten beginnen met die man met de Stetson, want toen begon er pas echt iets.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Boompje kijken

Vandaag heb ik de hele dag naar een boom gekeken. Het waaide dus er was verrassend veel te zien. Plus dat ik mentaal in de knoop zit, dus als ik melodramatisch uit het raam kan staren is het al snel goed. De boom was groen, want het is lente en zo gaan die dingen, en ik probeerde erachter te komen wat voor boom het was. Ik zag niets dat linkte met mijn zeer beperkte kennis over de lokale flora, waardoor mijn volgende missie was de vorm van de blaadjes te herkennen met het idee dat ik daaruit wellicht iets zou kunnen afleiden. Dat lukte niet, want de boom stond te ver weg. Bovendien heb ik ook wel eens buitengewoon goed kunnen kijken naar de blaadjes van een boom en dan zeiden ze me ook niets. Een keer op vakantie met een vriendin in Macedonië, waar we met de nieuwsgierigheid van twee vierjarigen foto’s maakten van alle planten die in de berm groeiden op weg van het hotel naar het meer van Ohrid. Onderwijl riepen we dan vrij willekeurige botanische termen als ‘hibiscus’, ‘gras’ en ‘lichtgroen’, en praatten we over hoe we al die planten op de foto zouden gaan duiden als we thuis waren. En een app zouden maken waarin je zo’n foto automatisch zou kunnen laten herkennen. Terwijl we allebei wisten dat we dat niet zouden gaan doen en geen idee hadden van het feit dat precies die app die wij wilden maken allang bestond.
Kortom, ik bleef op dezelfde afstand van de boom, want ik maak me inmiddels geen enkele illusie meer over mijn capaciteiten een plant te kunnen herkennen met naam en toenaam. Nou ja, ik lieg. Een moment kwam ik dichterbij de boom; ik moest mijn vuilnisbak aan de straat zetten. Ja, want ik ben dan misschien mentaal niet helemaal lekker, maar produceer nog steeds een enorme hoeveelheid rotzooi (wanneer komen vleesvervangers eens in een verpakking die niet van plastic is?) en ik ga toch mooi niet nog twee weken in mijn eigen troep zitten stinken. Mijn persoonlijkheid alleen stinkt al erg genoeg momenteel, dank je. Omdat het waaide stond mijn vuilnisbak in de schuur, wat enigszins ironisch is, aangezien het grootste deel van de inhoud van mijn schuur in de vuilnisbak zou moeten zitten, maar dat is een ander verhaal (als iemand nog een vouwfiets wil weet je me te vinden). Terwijl ik de vuilnisbak over de drempel van de schuur tilde kieperde hij voorover en viel op de grond. De boom stond er vlak naast en een kort moment voelde ik de boom op mij neerkijken alsof hij wilde zeggen: ha! mevrouwtje. Nu is het mijn beurt jou eens te bekijken. Wat voor soort ben jij eigenlijk? Even in mijn fauna app kijken. Depressief met het motorisch vermogen van een deurbel? Ja, als ik het niet dacht. Daar past dat gehannes met die bak ook precies in, dat profiel. Grappig toch, hoe dat werkt, zo’n app.
Terwijl ik vermoedde dat de boom mij analyseerde zag ook de buurman mijn onhandige actie. Waar je nog wel schijt kunt hebben aan de mening van een boom moet je bij mensen toch altijd nog even reageren. In de vorm van ‘haha, ja, ik weet dat dit superkneuzig gaat, haha, domme ik, haha.’
Ik weet niet of je wel eens hebt geprobeerd ongemakkelijk te lachen als je in een kutbui bent, maar dat is dus niet te doen. Ik vermoed dat ik er in het beste geval uitzag als een in-de-winterslaap-verstoorde grizzly beer, en in het slechtste geval als een geobstipeerde baby met een kunstgebit. Ik besloot dat er geen redden meer aan was, zette mijn bak aan de straat en spurtte terug naar binnen, waar ik me nestelde op de bank en naar de boom staarde totdat hij en ik er moe van werden en ik bovendien mijn huis uit moest naar therapie. Ja, ok, dus het was niet de hele dag. Het was maar een uurtje en ik word nou eenmaal moeilijk wakker en ‘s ochtends ben ik altijd in een kutbui en dan moet ik ook nog nadenken over wat ik bij therapie wil zeggen en dat weet ik nooit dus dan vermijd ik het door dingen te gaan bedenken over een boom en die op te schrijven en dan te doen alsof het echt gebeurd is. Punt is: het is dus maar goed dat ik therapie heb.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Superhoogbeangstnervragielwardenooknogspastisch

Deze blog heeft de bijsmaak gekregen nog wel eens grappig te zijn en dat wil ik graag zou houden. Jammer genoeg is het met de leukheid in mijn leven al een tijdje ver beneden het laagste punt waarvan ik dacht dat ik er nooit zou komen. Maar godverdomme dit gaat een grappig stukje worden, want mijn oude buurvrouw rekent erop dat ik grappig ben en mijn moeder leest dit en er zitten collega’s op mijn Facebook die dit zomaar zouden kunnen lezen en ik ben trouwens sowieso de luchtigheid zelve godverdegodverdefuckfuckkut.

Ik weet niet hoe het zover is gekomen, maar wel dat ik sinds begin dit jaar meer dan ooit me als een idioot aan het voelen en gedragen ben en me daarna kapot schaam, zelfs als ik eraan terugdenk. Om een beeld te schetsen van wat ik bedoel, hier een paar voorbeelden: begin dit jaar zei iemand tegen me dat ze verliefd op me was. Het was erg aardig en ze nam een geurkaars voor me mee, alleen ik val niet op vrouwen en ik was dus ook niet verliefd op haar. Maar in plaats van dat ik haar kon troosten, moest ik zelf keihard huilen en ik wist niet waarom en toen werd zij boos omdat zij, volkomen terecht, vond dat de verkeerde persoon aan het huilen was. Toen huilden we allebei heel hard en daarna durfde ik niet meer zo goed tegen haar te praten, omdat ik nog steeds niet weet waarom ik zo vreselijk onbedaarlijk moest huilen.
In dit voorjaar datete ik korte tijd een man die gelukkig superlief was, want anders had hij er vast iets over gezegd toen we een keer wakker werden en hij naar de wc moest en ik toen in een vlaag van onverklaarbare angst en totale verwarring daarover met hem mee ging en me toen tegelijkertijd zo schaamde dat ik, in plaats van het gewoon te zeggen en er misschien samen om te lachen, hem niet aan kon kijken en dus maar een wimper uit mijn oog begon te peuteren terwijl hij zijn ding deed. Of over het feit dat ik hem veel vaker een berichtje stuurde dan hij mij, terwijl ik gewoon een leven heb en normaal gesproken een signaal om even rustig aan te doen echt wel weet te ontvangen, maar blijkbaar niet als ik heel graag een herkansing wil om te bewijzen (nog het meest aan mezelf) dat ik wel normaal ben. Je begrijpt dat het niets is geworden. Jammer, want we pasten volgens mij goed bij elkaar en in mijn normale doen ben ik best leuk, maar dat weet hij dus niet. En ik had dat nog wel willen uitleggen, maar stel jezelf even voor als ontvanger van deze voicemail: ‘Hoi, ik wilde alleen maar even zeggen dat ik normaal gesproken dus niet met mensen mee de wc in loop en andere ongemakkelijke situaties veroorzaak. Zullen we het nog een keer proberen? Bel me als je dit hoort.’ Ja, joe.
In de zomer dacht ik dat het een goed idee was nog een keer met iemand te daten. Dat was natuurlijk een illusie, maar ik was nog jong. In het kader van discretie ga ik hier niet al te ver over uitweiden, maar die man had ten eerste waarschijnlijk een vriendin thuis, en ik kreeg het maar niet voor elkaar hem daarmee te confronteren zodat ik er een eind aan kon maken, omdat ik mezelf er niet toe kon aanzetten, en ten tweede; de seks leek meer op verkrachting dan op seks en het was buitengewoon onplezierig, maar ik daarover kon ik natuurlijk weer niets zeggen dus het enige wat ik kon doen was wierook branden om zijn aura uit mijn huis te jagen. Ik heb er nog even aan gedacht misschien met zo’n klankschaal door mijn huis te chanten, maar eigenlijk weet ik niet wat het effect daarvan is, en met mijn geluk zul je net zien dat ik Lucifer sommeer en dan mag kiezen: of een voortand zoals een narwal, of voortaan met twee grote hoorns van een ram door het leven of mijn ziel verkopen. Hoewel ik me dan ook wel kan voorstellen dat ik optie drie kies, en dat hij dan zegt dat hij mijn ziel niet hoeft omdat die te duister is voor de hel.
Ik had gehoopt dat dit grappiger was dan het nu is, maar dat is het niet. Godverkut.

Oké, sorry, ik zal ergens anders beginnen:
Ondanks dat ik me na een tijdje iets beter begon te voelen op het gebied van onverklaarbare nervositeit kon ik me niet goed over mijn angst voor nog meer angst en mijn gevoel van totale vernedering heenzetten. Van de weeromstuit ben ik naar de huisarts gegaan die na 2 minuten zei dat ik hoogbegaafd en niet goed bij mijn hoofd ben. Of althans, dat het hem een goed idee leek als ik even met de POH-psycholoog ging praten. Persoonlijk vermoed ik dat de bezoekjes aan de huisarts en de psycholoog mijn humor geen goed hebben gedaan. Zelfspot en sarcasme, waar ik in ieder geval nog enige verlichting uit haal, zijn daar totaal niet op hun plaats. Dus als de psycholoog mij vraagt of ik sport zeg ik gewoon ‘ja’, in plaats van ‘ik ren weg voor mijn problemen’ en ‘gisteren heb ik zoveel gehuild dat ik spierpijn in mijn traanbuisjes heb’ en als ze vraagt of ik nog ergens plezier uit haal zeg ik iets oprechts als ‘uit zingen en werk en leuke mensen om me heen’, in plaats van iets lekker zwartgalligs als ‘de eerste 30 seconden van mijn dag voordat angst en depressie over mijn angst hun intrede doen.’
Daarnaast ben ik inmiddels mijn excuses steeds aan het aanbieden aan mensen, omdat ik teveel van dit soort echte informatie deel en die mensen daar natuurlijk ook niet op zitten te wachten. En als ik dan mijn excuses aanbied doe ik dat op zo’n manier dat ik daarbij ook weer teveel informatie deel. Het is allemaal een grote humorloze bende en daarom kan ik dus ook de hele tijd geen nieuwe dingen schrijven. Zie je, dit is ook niet grappig en vol met informatie die je helemaal niet lezen wil over zo’n luchtig, grappig, levenslustig persoon als ik.

Tot overmaat van ramp moet ik ook nog op vakantie naar Thailand. Een reis die ik heb geboekt eind september, in een opleving van mijn oude ik. Ondertussen heb ik al zes keer geprobeerd om eraf te komen, maar dat kan helaas niet, dus ik ga gewoon, want wat er ook met mij aan de hand kan zijn; hoogbegaafd of irrationeel nerveus en fragiel of verward en spastisch in sociale situaties of alles tegelijk of niets van dat alles, ik ga toch echt geen 550 euro aan een ticket uitgeven en er geen gebruik van maken. En ik zal je een ding zeggen: als ik terugkom ben ik gewoon leuk en gezellig en normaal en verpletterend aantrekkelijk en onweerstaanbaar grappig en lief en sexy en zorgzaam en meelevend met de juiste mensen en streng als het nodig is, en eventueel zelfs met grote hoorns van een ram of de tand van een narwal. En dan ga ik een stukje schrijven dat zo grappig is dat je godtyfusteringkuthoeren gewoon van je stoel valt van het lachen.Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Liefde en andere treinongelukken

“Liefde is echt heel moeilijk.” “Ja, het is ingewikkeld,” zeggen ze terwijl ze elkaar meewarig aankijken en knikken. Hoofd half schuin, ogen een beetje toegeknepen; niet dicht en niet van de lucht, maar op zo’n manier dat het sympathie betekent. Ze begrijpen elkaar. Liefde is moeilijk en ingewikkeld en hard werken. Ik sta niet al te ver weg, misschien een meter, van hen vandaan op het perron waar onlangs lichtbakken zijn geplaatst die je vertellen hoe lang de trein is. Grote gele lampen lichten op zodra een trein in aantocht is, en pas na de tweede keer kijken had ik door dat het niet gewoon gele lampen waren maar een afbeelding van een trein. De trein die eraan komt, en dat de lichtbak precies weergeeft waar de trein gaat stoppen en hoe lang hij is. Waar de eersteklas rijtuigen zich bevinden. Ik kijk naar zo’n trein op de lichtbak en hoor hun gesprek. Niet omdat ik het afluister, maar omdat er naast het kijken naar die lichtbak zo weinig te doen is dat ik het eigenlijk niet kan voorkomen. Terwijl zij knikken en meewarig kijken ben ik haast onder de indruk van hun grote kennis over de liefde. Mijn hart klopt, maar behalve dat het klopt weet ik over mijn hart niet heel veel. Het voelt van alles, jawel, maar ik zou willen dat ik zo ver tot het begrip kwam dat ‘moeilijk’ en ‘ingewikkeld’ de woorden waren die ik vond passen. De waarheid is dat ik van het hele gebeuren zo weinig begrijp dat zelfs die woorden te hoog gegrepen zijn om iets te duiden over mijn begrip.

Van alle dingen die, als moeilijk het juiste woord is, moeilijk zijn is verliefd worden of nog lichter: iemand leuk vinden, het moeilijkst van alles. Nog nooit heb ik het doorgehad als iemand mij leuk vond, en nog nooit heb ik ook maar een klein beetje het lef gehad om het aan de desbetreffende man te vertellen als ik hem leuk vond. Ik weet alleen maar het gevoel en de erkenning van de erbarmelijke staat van mijn sociale vaardigheden in het moment dat ik me realiseer dat het aan de hand is. Het gevoel dat langzaam omslaat van vrolijke vlinders naar het gevoel van dronken in die kermisattractie stappen die een lange arm is waar je aan rond word geslingerd alsof je een doodswens hebt, wat ik weet omdat ik dat heb gedaan. Misschien dat er mensen zijn die dit aandoenlijk vinden, maar neem van mij aan; het is alles behalve dat. Ik heb in alle schakeringen van de liefde het genetisch profiel van een geurkaars. Op het eerste gezicht misschien alleraardigst, maar als het vuur eenmaal is aangewakkerd wordt het al snel te intens en waarschijnlijk krijg je er hoofdpijn van.

Een vriendin van mij werd twee jaar geleden verliefd op een vrouw en deed toen wat voor mij volstrekt onmogelijk is; ze maakte een afspraak met die vrouw en vertelde het haar. En daarna vertelde ze mij daarover. Ik vroeg haar hoe het kon dat ze zo dapper was dat ze dit zomaar vertelde aan de dame in kwestie en ze antwoordde: ‘maar je weet het toch wel als iemand jou ook leuk vindt?’ Op dat antwoord had ik niet gerekend, want ik heb dat nog nooit doorgehad. Als ik ooit een kampioenschap zou winnen (behalve de caprilliproef van 1996) dan zou ik alleen durven garanderen dat ik de onbetwiste kampioen ben in het niet kunnen lezen van andermans intenties. Tenzij ze voor me uitgesproken of geschreven worden kun je er in principe vanuit gaan dat ik het niet snap, maar nog veel vaker kun je er vanuit gaan dat ik het denk te snappen en het dan verkeerd begrepen heb. Het is een talent en een last. Zelf iets zeggen lukt ook niet; meer dan eens heb ik mij voorgenomen iets over mijn gevoelens te delen met de man in kwestie, waarop ik in paniek raak en acuut een TIA krijg waardoor al mijn spraakvermogens tijdelijk verloren gaan. Dus staar ik wat ongemakkelijk om me heen en, na wat voelt als jaren, probeer ik me er dan vanaf te maken met een onbelangrijke vraag of een leuk bedoelde opmerking die vermoedelijk minder leuk is dan ik op dat moment denk. Zo gedraag ik me dan het ene moment als een puppy richting de man en kan het zomaar zijn dat ik het volgende moment een blinde vlek heb, precies op de plaats waar hij zich bevindt; het zijn de gevolgen van een TIA, maar probeer dat maar eens uit te leggen zonder daarin te onthullen waar die door veroorzaakt wordt.

Een ander gevolg van de lichte liefde is het plotselinge verlies van mijn motorische vaardigheden: ik loop niet meer, ik val. Het soort vallen dat je nog net kunt opvangen door steeds je ene voet voor de andere te zetten en dan te doen alsof je alles volledig onder controle hebt. Zoals je rent van een heuvel af en dan doet alsof dat heel gecoördineerd rennen is in plaats van net-niet-vallen. Terwijl iedereen ziet dat dat wel zo is, en terwijl jij weet dat zij weten dat dat zo is, maar je toch maar blijft doen alsof. Je kunt ook niet meer stoppen als je eenmaal begonnen bent met rennen, en zolang je niet op de grond ligt is het feitelijk correct te stellen dat je niet gevallen bent. Terwijl de waarheid is dat je de grond niet kunt raken omdat die steeds langzaam wegzakt onder je voeten. Niet dat dat erg is, want inmiddels weet je ook dat verzwolgen worden door een aardverschuiving veel minder erg is dan proberen iemand flirterig aan te raken wanneer je daar niet goed in bent en het daardoor meer wegheeft van een mot die keer op keer tegen een lamp aan vliegt dan van een mens dat een ander mens iets duidelijk probeert te maken. Maar ach, zo lang je niet op de grond ligt ben je niet gevallen, toch?

Als mijn hart niet zo gerafeld was en aan elkaar hing met losse steken en klodders secondelijm had ik misschien al een keer iets ‘echts’ gezegd, maar het is eng en het is gevaarlijk en er is een primitief deel in mijn brein dat er alles aan doet om te voorkomen dat ik weer aan de slag moet met lijm en naald en draad.  Dus sta ik zaterdagnacht in een klein zaaltje te salsadansen terwijl ik dat helemaal niet kan, met mannen die zich storen aan hoe slecht ik salsadans. Om te vermijden dat ik doe wat ik niet kan, want ook als het licht en vers is, is het breekbaar en ik kan niet zo goed breekbaar zijn. Ik kan zingen en slecht salsadansen en omgaan met agressieve dronken mensen en heel hard werken en grapjes maken en een beetje tekenen en oneindig lang doen alsof ik niet val. En liefhebben. En daarvoor val ik graag in zwarte gaten in de grond, maar dat vereist natuurlijk wel het godverse lef om dat een keer hardop te zeggen. Ik bedoel maar: ik bewonder die twee mensen op dat station, want bij hen leek het net alsof er niets te vallen viel.Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Een helpende hand

Er kwam een metalen mandje op mij af dat voor een kort ogenblik zich zonder enige vorm van menselijke of andersoortige interventie leek voort te bewegen. Toen kwam er (ha, dus toch! dacht ik) een hand en toen een heleboel tassen met een mevrouw eraan vast. Ze had patatjes in haar hand. Niet los natuurlijk, dat zou idioot zijn, maar in zo’n bakje dat breder is dan het hoog is en waarvan je altijd hoopt dat ze het bij de patatboer goed volstoppen. Zo vol dat de patatjes een op elkaar gestapeld bergje vormen dat boven het bakje uittorent. Zo vol dat je tevreden knikt als je het meeneemt, en een korte paar seconden met groot genoegen kijkt naar de patatjes die je straks gaat verorberen. Zo vol dat je na die paar seconden je ineens realiseert dat het helemaal niet praktisch is dat het bakje zo vol zit, omdat je veel te veel tassen en een onhandig mandje mee hebt om de patatjes effectief te kunnen vervoeren naar de treinstoel van je keuze. Waardoor je de hele weg angsten uitstaat over de ineenstorting van het bergje patat en visioenen hebt waarin alle patatjes op de vloer liggen en er niets inkomt van die verrukkelijke snack. “Sorry,” zei de mevrouw, alsof zij en niet het mandje net bijna in mijn gezicht terecht was gekomen. “Geeft niet,” zei ik, alsof het geen probleem was om een metalen mandje in mijn gezicht te krijgen. Ik keek naar de rij voor me waar de vrouw onhandig een plekje in beslag nam en dacht erover mijn hulp aan te bieden, maar deed dat niet, wat eigenlijk alleen maar kwam omdat het nog net niet onhandig genoeg ging om hulp te krijgen. Blijkbaar ben ik pas bereid een helpende hand uit te steken als iemand echt faliekant onderuit gaat. En waarschijnlijk wil ik dan ook nog dat die mensen hun patatjes aan mij geven als dank voor mijn onbaatzuchtige daad.Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Sociale haast

Terwijl ik nog aan het ‘payslappen’ was (de leuke, want zelfbedachte, term voor ‘contactloos betalen’) lagen mijn boodschappen elkaar al in de weg op de rolband en begon de kassière met iets meer kracht dat wat mij betreft noodzakelijk was mijn boodschappen aan de kant te schuiven met de boodschappenbandsplitser. Ze vielen in een armzalig hoekje naast wat folders van de supermarkt, die altijd om onverklaarbare redenen precies daar liggen waar je er niets meer aan hebt zo’n folder tegen te komen. Ondanks dat het payslappen vrij snel verloopt, ben je toch altijd te laat voor wat vroeger het geoliede systeem was waarmee je je boodschappen al had ingepakt voordat je moest betalen. Ik kreeg de bon in mijn handen geduwd en spoedde mij naar de hoek waar mijn boodschappen op sisyfusiaanse wijze steeds maar bleven aanspoelen op  het metalen plaatje met de folders. Ik voelde me gehaast en begon als een wilde mijn boodschappen in de tas te proppen, terwijl ik hier en daar schichtig om me heen keek of mensen zich al begonnen te ergeren aan hoe langzaam ik was. Ik namelijk wel. Uiteindelijk vertrok ik, niet veel later, uit de supermarkt met, naar ik vermoed, een wat rood aangelopen hoofd en het gevoel dat ik totaal ongeschikt was om de oorzaak te zijn van dergelijke vormen van sociale obstructie. Ik heb nooit liever mijn boodschappen snel in een tas willen stoppen, en sinds we overal onze eigen tasjes mee naartoe moeten nemen merk ik dat ik steeds vaker last heb van dit soort sociale haast. Weg is de tak-tak-tak handeling van betalen, de kassabediende die je nieuwe kledingstuk opvouwt en in een tasje stopt en precies op het moment dat je betaling akkoord is het tasje aan je overhandigd, zodat alles soepel samenkomt en je zonder meer tijd dan nodig ruimte inneemt bij de kassa. Sociale haast. Geen echte haast, want je hoeft niet per se nu meteen weg, als die rij met mensen achter je je niet zo aan zou staren als ware je de vrouw met de baard  in een jaren ’20 rariteitenkabinet. Of misschien gewoon ‘de vrouw met haast’ in een jaren ’20 rariteitenkabinet.
Mijn zusje ging vorige week haar kranten wegbrengen. Terwijl ze bezig was bij de papierbak kwam de vrachtwagen aangereden die de papierbak altijd komt legen. Ze probeerde wat sneller te werken. De vrachtwagen stond voor haar en ze zag de mannen in de cabine wachten tot zij klaar was met haar spullen. Misschien wachtten ze wel geduldig. Misschien dacht mijn zusje van niet. Misschien dacht mijn zusje wel dat ze nu even op moest schieten met het wegbrengen van haar papier en probeerde ze het papier sneller door de altijd-te-zwaar-ingestelde klep te duwen, waardoor haar hand nog even bleef hangen en wat dikkig en rood uit de papierbak getrokken moest worden. Misschien duurde het daardoor nog wel langer dan het had geduurd als ze rustig aan had gedaan. Misschien werd ze nerveus en gestrest en wilde ze dat ze eigenlijk helemaal niet daar was op dat moment en was ze liever even opzij gestapt zodat de vrachtwagen vrij spel kon hebben en zij daarna in alle rust haar kranten kon weggooien, omdat kranten in een bak stoppen nog nooit zo’n grote motorische opdracht was geweest als nu. Sociale haast dus; ook zij is er niet ongevoelig voor. Dat gevoel dat iedereen op je staat te wachten en dat je dan moet opschieten, maar dat je echt niet sneller kunt, maar dat dat dan nog steeds niet snel genoeg is. Dat je net even iets te lang ergens bent waar je voor je gevoel al weg had moeten zijn, terwijl je gebogen gaat onder de staar van medemensen die veel minder ‘mede-‘ zijn op dat moment dan je zou hopen, want je voelt geen enkele vorm van sympathie of medemenselijkheid in hun blik. En dus wil ik altijd extra aardig doen tegen mensen waarvan ik het gevoel heb dat zij ook sociale haast ervaren, zodat ze weten dat ik wel ‘mede-‘ ben, en wel begrip heb voor hun positie. Maar wee je gebeente als je langzaam bent en geen enkele aanstalten maakt je daarover ongemakkelijk te voelen terwijl ik sta te wachten, want dan ken ik geen genade.
Ik wil niet zo zijn, maar juist omdat andere mensen zich wel gehaast voelen vind ik dan dat de niet-gehaaste medemens zich net zo ongemakkelijk zou moeten voelen bij hun onkunde snel te werken als mensen die wel weten wat sociale haast is. Bijvoorbeeld de mensen die nog even een praatje pot gaan houden met de kassière in de Ikea op zaterdagmiddag. Als ‘sterf’ een emotie was, dan is dat de emotie die ik op dat moment ervaar. Waar ik het al helemaal heb is bij mensen die in het OV met hun verrekte rolkoffers lekker op vakantie komen in Amsterdam zonder het minste besef dat er ook mensen in de stad zijn die gewoon naar hun werk moeten en dat het liefst doen zonder dat ze iedere twee stappen als een paard over koffervormige hindernissen moeten hupsen, omdat toeristen nu eenmaal nooit doorlopen met hun camera’s en hun selfie-sticks en hun gezelligheid. Sterf.

Er is geen irrationeler en onlogischer mens dan ikzelf. Ik droom van een wereld waarin niemand gehaast is, maar iedereen ook onmiddellijk voor mij aan de kant springt als ik eraan kom. En vooral droom ik dat iedereen zich net zo ongemakkelijk voelt als ik als ze niet opschieten. Maar waar ik nog het aller- allermeest van droom is van wat ik wil doen met mensen die klagen over hoe langzaam andere mensen zijn, of dat ze ‘weer in de verkeerde rij zijn gaan staan, zoals altijd’, de mensen die na twee minuten wachten al heel diep gaan zuchten in de hoop dat  je op zijn minst een blik van medeïrritatie zult geven, maar het liefst nog dat je zult overgaan in een luide en onvervalste klaagzang over de Onrechtvaardigheid van het grote Wachten waar je aan bent overgeleverd. En dat doe ik dan dus niet.

Als Elon Musk gelijk heeft, en we ons inderdaad in een simulatie bevinden, dan hoop ik dat we ons in een simulatie bevinden zoals in Rollercoaster Tycoon. Want die klagende mensen verdienen niets minder dan wat ik deed met de klagende ‘Gast 3825’ wiens gedachten niet meer bevatten dan ‘Ik hou niet van Achtbanen 2’, ‘Ik ben misselijk’, ‘Er zijn te weinig bankjes in dit park’ en ‘Ik vind geen vuilnisbak’ terwijl zijn hoofd steeds roder werd en hij ‘het park’ overal de schuld van gaf, ook al liep hij tot vijf keer toe langs een vuilnisbak met zijn -3 ogen. Ga jij maar even zwemmen in het water van ‘Boomstammen 1’, dan koel je wel af. Of ga maar even op het eiland voor chagrijnige kutmensen staan, tot je klaar bent met zeuren.
Ik stel voor dat we in ieder winkelcentrum een soort kooi maken, of een zwembad, waar we deze mensen ingooien, zodat iedereen die last heeft van sociale haast rustig kan inpakken. En misschien kunnen we er bij tijd en wijlen ook een rolkoffertje inmikken, gewoon omdat alle rolkoffertjes, behalve die van mij natuurlijk, duivelse martelwerktuigen zijn die het verdienen op brute wijze aan hun eind te komen.

 Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Knuffel

Iemand huilde al voordat de dag goed en wel begonnen was.
Eigenlijk is dat altijd zo. Iemand werd misbruikt.
Ook dat gebeurt veel te vaak.
Iemand viel, iemand maakte dingen stuk, iemand was zenuwachtig en iemand kreeg onverwacht slecht nieuws.
En ik had een gat in mijn maag groter dan Australië.
En toen nog groter en toen was ik alleen nog maar een gat en bleef ik vallen tot de dag voorbij was.
Ik viel naar huis en in mijn eten en op mijn bed.
En eigenlijk kan ik wel een knuffel gebruiken, maar dat heb ik tegen niemand gezegd.Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Older posts

© 2019 Ondoenlijk

Theme by Anders NorenUp ↑