Ondoenlijk

Winnie's website

Tag: angst

Superhoogbeangstnervragielwardenooknogspastisch

Deze blog heeft de bijsmaak gekregen nog wel eens grappig te zijn en dat wil ik graag zou houden. Jammer genoeg is het met de leukheid in mijn leven al een tijdje ver beneden het laagste punt waarvan ik dacht dat ik er nooit zou komen. Maar godverdomme dit gaat een grappig stukje worden, want mijn oude buurvrouw rekent erop dat ik grappig ben en mijn moeder leest dit en er zitten collega’s op mijn Facebook die dit zomaar zouden kunnen lezen en ik ben trouwens sowieso de luchtigheid zelve godverdegodverdefuckfuckkut.

Ik weet niet hoe het zover is gekomen, maar wel dat ik sinds begin dit jaar meer dan ooit me als een idioot aan het voelen en gedragen ben en me daarna kapot schaam, zelfs als ik eraan terugdenk. Om een beeld te schetsen van wat ik bedoel, hier een paar voorbeelden: begin dit jaar zei iemand tegen me dat ze verliefd op me was. Het was erg aardig en ze nam een geurkaars voor me mee, alleen ik val niet op vrouwen en ik was dus ook niet verliefd op haar. Maar in plaats van dat ik haar kon troosten, moest ik zelf keihard huilen en ik wist niet waarom en toen werd zij boos omdat zij, volkomen terecht, vond dat de verkeerde persoon aan het huilen was. Toen huilden we allebei heel hard en daarna durfde ik niet meer zo goed tegen haar te praten, omdat ik nog steeds niet weet waarom ik zo vreselijk onbedaarlijk moest huilen.
In dit voorjaar datete ik korte tijd een man die gelukkig superlief was, want anders had hij er vast iets over gezegd toen we een keer wakker werden en hij naar de wc moest en ik toen in een vlaag van onverklaarbare angst en totale verwarring daarover met hem mee ging en me toen tegelijkertijd zo schaamde dat ik, in plaats van het gewoon te zeggen en er misschien samen om te lachen, hem niet aan kon kijken en dus maar een wimper uit mijn oog begon te peuteren terwijl hij zijn ding deed. Of over het feit dat ik hem veel vaker een berichtje stuurde dan hij mij, terwijl ik gewoon een leven heb en normaal gesproken een signaal om even rustig aan te doen echt wel weet te ontvangen, maar blijkbaar niet als ik heel graag een herkansing wil om te bewijzen (nog het meest aan mezelf) dat ik wel normaal ben. Je begrijpt dat het niets is geworden. Jammer, want we pasten volgens mij goed bij elkaar en in mijn normale doen ben ik best leuk, maar dat weet hij dus niet. En ik had dat nog wel willen uitleggen, maar stel jezelf even voor als ontvanger van deze voicemail: ‘Hoi, ik wilde alleen maar even zeggen dat ik normaal gesproken dus niet met mensen mee de wc in loop en andere ongemakkelijke situaties veroorzaak. Zullen we het nog een keer proberen? Bel me als je dit hoort.’ Ja, joe.
In de zomer dacht ik dat het een goed idee was nog een keer met iemand te daten. Dat was natuurlijk een illusie, maar ik was nog jong. In het kader van discretie ga ik hier niet al te ver over uitweiden, maar die man had ten eerste waarschijnlijk een vriendin thuis, en ik kreeg het maar niet voor elkaar hem daarmee te confronteren zodat ik er een eind aan kon maken, omdat ik mezelf er niet toe kon aanzetten, en ten tweede; de seks leek meer op verkrachting dan op seks en het was buitengewoon onplezierig, maar ik daarover kon ik natuurlijk weer niets zeggen dus het enige wat ik kon doen was wierook branden om zijn aura uit mijn huis te jagen. Ik heb er nog even aan gedacht misschien met zo’n klankschaal door mijn huis te chanten, maar eigenlijk weet ik niet wat het effect daarvan is, en met mijn geluk zul je net zien dat ik Lucifer sommeer en dan mag kiezen: of een voortand zoals een narwal, of voortaan met twee grote hoorns van een ram door het leven of mijn ziel verkopen. Hoewel ik me dan ook wel kan voorstellen dat ik optie drie kies, en dat hij dan zegt dat hij mijn ziel niet hoeft omdat die te duister is voor de hel.
Ik had gehoopt dat dit grappiger was dan het nu is, maar dat is het niet. Godverkut.

Oké, sorry, ik zal ergens anders beginnen:
Ondanks dat ik me na een tijdje iets beter begon te voelen op het gebied van onverklaarbare nervositeit kon ik me niet goed over mijn angst voor nog meer angst en mijn gevoel van totale vernedering heenzetten. Van de weeromstuit ben ik naar de huisarts gegaan die na 2 minuten zei dat ik hoogbegaafd en niet goed bij mijn hoofd ben. Of althans, dat het hem een goed idee leek als ik even met de POH-psycholoog ging praten. Persoonlijk vermoed ik dat de bezoekjes aan de huisarts en de psycholoog mijn humor geen goed hebben gedaan. Zelfspot en sarcasme, waar ik in ieder geval nog enige verlichting uit haal, zijn daar totaal niet op hun plaats. Dus als de psycholoog mij vraagt of ik sport zeg ik gewoon ‘ja’, in plaats van ‘ik ren weg voor mijn problemen’ en ‘gisteren heb ik zoveel gehuild dat ik spierpijn in mijn traanbuisjes heb’ en als ze vraagt of ik nog ergens plezier uit haal zeg ik iets oprechts als ‘uit zingen en werk en leuke mensen om me heen’, in plaats van iets lekker zwartgalligs als ‘de eerste 30 seconden van mijn dag voordat angst en depressie over mijn angst hun intrede doen.’
Daarnaast ben ik inmiddels mijn excuses steeds aan het aanbieden aan mensen, omdat ik teveel van dit soort echte informatie deel en die mensen daar natuurlijk ook niet op zitten te wachten. En als ik dan mijn excuses aanbied doe ik dat op zo’n manier dat ik daarbij ook weer teveel informatie deel. Het is allemaal een grote humorloze bende en daarom kan ik dus ook de hele tijd geen nieuwe dingen schrijven. Zie je, dit is ook niet grappig en vol met informatie die je helemaal niet lezen wil over zo’n luchtig, grappig, levenslustig persoon als ik.

Tot overmaat van ramp moet ik ook nog op vakantie naar Thailand. Een reis die ik heb geboekt eind september, in een opleving van mijn oude ik. Ondertussen heb ik al zes keer geprobeerd om eraf te komen, maar dat kan helaas niet, dus ik ga gewoon, want wat er ook met mij aan de hand kan zijn; hoogbegaafd of irrationeel nerveus en fragiel of verward en spastisch in sociale situaties of alles tegelijk of niets van dat alles, ik ga toch echt geen 550 euro aan een ticket uitgeven en er geen gebruik van maken. En ik zal je een ding zeggen: als ik terugkom ben ik gewoon leuk en gezellig en normaal en verpletterend aantrekkelijk en onweerstaanbaar grappig en lief en sexy en zorgzaam en meelevend met de juiste mensen en streng als het nodig is, en eventueel zelfs met grote hoorns van een ram of de tand van een narwal. En dan ga ik een stukje schrijven dat zo grappig is dat je godtyfusteringkuthoeren gewoon van je stoel valt van het lachen.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Tandartsperikelen ofwel het kleine boortje

Na een dreigement van mijn tandarts dat ze mij uit het bestand zou verwijderen als ik niet eens voor controle zou komen besloot ik, 2 maanden later weliswaar, maar eens een afspraak te maken. Niet dat ik bang ben en daarom niet kom, ik vergeet het gewoon. De laatste keer dat ik er was, was vorig jaar, om mijn verstandskies te laten trekken.
Mijn tandarts is een aardige vrouw, erg klein, ongeveer 1,50m schat ik, en ze geeft een slap handje als je binnenkomt. Een slap handje dat in geen verhouding staat tot wanneer ze haar witte handschoentjes heeft aangetrokken en tekeer gaat in je mond. Bij de controle was alles nog ok, hoewel ik erop gewezen werd dat ik tandpasta dien te gebruiken op mijn ragertjes. Het was de eerste keer dat ik bedacht dat ik zou zeggen dat ik wel flos, omdat ik de keren daarvoor de genadeloze waarheid sprak en daarvoor genadeloos werd beloond met een boze blik en een diepe zucht. “Je moet wel flossen, anders krijg je tandsteen onder je spalkje.” Ze heeft gelijk, ik heb dus al snel tandsteen onder mijn spalkje. Een spalkje dat op mijn ondertanden zit, omdat ik van mijn 9e tot mijn 13e beugels droeg van de variatie: blok, blok met petje, slotjes, slotjes met plaatje, en tenslotte alleen een plaatje. Ik had een overbeet van 9mm, waardoor ik 4 jaar lang door de hele molen ben gegaan met als resultaat spalkjes op mijn boven- en ondertanden, een heleboel gaatjes, en dus regelmatig tandsteen.
Een heleboel gaatjes? Ja. Die gaatjes zijn ontstaan door de ringetjes die om je kiezen worden geplaatst wanneer je een slotjesbeugel hebt. Zulke ringetjes zitten namelijk wel strak, maar niet zo strak dat er geen etensresten of bacteriën tussen kunnen komen. De rest laat zich raden. In 1999 werd ik aan vier kanten in totaal zeven keer gevuld. Maar één kies is het leed van een vulling bespaard gebleven. Lang leve de slotjesbeugel.
Vooruitspoelend van 1999 naar een week geleden: ik zat in de tandartsstoel en werd grondig onderzocht. “Mmmm….Ja..Dat spalkje zit los? Niet gemerkt?” Nee, ik had het niet gemerkt. Het was ook niet zo erg, zei ze, het was maar één stukje dat los zat. En er was een kies blauw uitgeslagen. Die moest opnieuw gevuld. “Ik snap niet dat je dit niet gevoeld hebt, er is een stuk afgebroken.” “Van mijn kies?”, vroeg ik geschrokken. “Nee, van je vulling.” Aangezien een vulling een levenloos object is en ik er weinig tot geen emotionele band mee voel vond ik het niet zo erg dat hij was afgebroken en al helemaal niet dat ik dat niet had gemerkt. Dat ik de ramp onderschat had zal nog blijken uit komende anekdote.  “We maken een afspraak voor volgende week, dan ga ik die kies opnieuw vullen. Wil je een grijze of een witte vulling?” Wat is dat voor vraag, dacht ik. Eindelijk mocht ik kiezen (1999 was de kwaliteit van witte vullingen nog zo erbarmelijk dat ze door iedere tandarts werden afgeraden.) Ik mocht kiezen tussen een grote klomp grijze vervuiling in mijn mond, of een mooie witte, onzichtbare vulling die mijn mond zou beschermen tegen verrotting en de boel zou verfraaien. “Wit.”
Een week later, vandaag om precies te zijn, lag ik weer in de tandartsstoel. “Wil je een verdoving?”, vroeg ze. Ik zei dat ik het niet wist. Ik zei dat ik nog nooit een verdoving had gehad voor het vullen van een kies, maar dat ik niet wist of het vervangen van een vulling erger zou zijn dan het vullen voor de eerste keer. “Ik zal eerlijk zijn,” zei ze, “het ziet er niet goed uit.” Niet goed, niet goed? Wat betekent dat? Dat je mijn kies moet uitboren en dan zo lang aan het boren bent tot je per ongeluk de hele kies weg hebt geboord? Moet ik een kroon? Krijg ik dan zo’n lelijk zwart randje? Zijn mijn zenuwen al afgestorven? Heb ik daarom niets gevoeld? Wat is er aan de hand? Zeg iets!
“Hmmm, ja, doe maar een verdoving.” “Ja? Ok.” Ze klonk beteuterd, terwijl ze eerder nog zo complimenteus was geweest toen ik zei dat ik nog nooit een verdoving had gehad. Ik zwichtte, meer voor het angstscenario in mijn hoofd dan voor de pijn die ik verwachtte. En toen begon ze.
Het interessante van de tandarts is dat ze zich omringd met allerhande martelwerktuigen waarvan je als leek nooit precies weet waar ze toe dienen. Dat stokje met aan iedere kant een haakje, is dat om je wangen definitief uit elkaar te halen door ze aan weerszijden vast te haken? Of gewoon om stiekem een gaatje te peuteren zodat je bij de volgende controle nog een keer gevuld moet worden?  Daar lig je dan. Hulpeloos. Eerst krijg je dat kleine stofzuigertje in je mondhoek opgehangen; prima, geen probleem, denk je nog. Dan gaat ze even rondpoeren met het haakje. Het spiegeltje erbij. Ook geen punt. En dan. En dan. Dan komt de grote stofzuiger, en zie je dat ze vanuit de andere kant het boortje pakt. Niet de grote boor, die zo lekker door dreunt, maar het kleine boortje, dat klinkt als een zwerm muggen die in een vergadering hebben besloten dat ze je gaan vermoorden en wel meteen.
Mmmmmjiiieeeeeeeee……… Ik hoef het maar te horen en onmiddellijk merk ik dat mijn lichaam wilde dat het een schildpad was. Mijn tenen schieten mijn voeten in, mijn nek wil ergens in schieten, maar die ligt in een knik achterover, mijn handen doen alsof ze iets kunnen bijdragen aan deze hel door lastig te gaan doen op mijn buik en verder verkrampt iedere spier totdat ik ook mijn ogen samenknijp en mijn tandarts vraagt: “Gaat het?” en ik zeg: “Ja, hoor, prima.” Prima, het is helemaal niet prima. Ik haat dat ding. Ik haat het. Als het geen geluid zou maken was het prima geweest. Maar deze Hitler-boor hoor je niet alleen op je af komen, je hoort hem ook extra genieten zodra hij je kiezen raakt. Mjiieeee, lekker boren, lekker je mond helemaal kapot maken, ladieda. Stop, stop, boortje. Stop.
Mijn tandarts en ik lijken een ander beeld te hebben van wat pijn kan doen. Ze meld het bijvoorbeeld als ze de verdovingen geeft  (ja, twee, de eerste had te weinig effect, waardoor de Hitler-boor de gelegenheid had op mijn zenuwen te dansen terwijl ik het voelde): “dit geeft een prikje.” Ik voelde nauwelijks iets. Over de grote boor zegt ze: “Dit voel je trillen.” Dat klopt, maar het is een verademing na de marteling van de kleine boor. En dan een klemmetje dat ze om mijn kies zet: “Dit voel je even.” Het was een tikje tegen mijn tand, meer niet. Ze schijnt totaal niet door te hebben dat het ergste van het ergste in haar mandje met haakjes, spiegeltjes en boortjes het kleine boortje is.
Ze boort een goede 30 minuten, dan vult ze de kies en als ik eindelijk (Eindelijk!) mijn inmiddels verkrampte kaak weer dicht mag doen, zegt ze: “Ik had het een beetje onderschat, als ik eerlijk ben.” Ja, ik ook, denk ik. En geef haar een glimlach met mijn mooie witte kies.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Manoeuvrerend in het niets

Dit schreef ik de dag na de aanslagen in Brussel:

Ik weet het niet meer. Gisteren was ik kwaad. De hele dag. Ik ben nooit kwaad behalve als ik ongesteld moet worden, dus dan is het belachelijk en niet erg, alleen irritant. Nu was ik echt kwaad. Ik was zo boos dat ik imaginaire gesprekken met mensen had alleen maar zodat ik iemand had om tegen te schreeuwen. Toen ging ik verbeten van woede zitten en weigerde om rustig te worden. Ik douchte, tegen mezelf zeggend dat ik vroeg of laat zou moeten ophouden met kwaad zijn, maar ik zei terug dat ik daar geen zin in had en dat ik zelf wel zou uitmaken of ik zou ophouden met kwaad te zijn. Ik ging kwaad naar bed. Ik stompte in mijn kussen en staarde briesend naar het plafond totdat ik verbeten van woede in slaap viel. Toen ik vanmorgen wakker werd was ik nog steeds kwaad. En ergens is de boosheid heerlijk. Eindelijk voel ik weer eens iets bij het leed waar ik verdoofd van was geraakt. Nu weet ik het niet meer. Ik ben kwaad vanwege alle kutmensen op deze klotewereld die ofwel alleen maar geïnteresseerd zijn in zichzelf, of buitengewoon hard hun best doen anderen het leven zuur te maken. Ik ben ziek van de eindeloze stroom betweters met hun analyses en genuanceerde artikelen en van hen met de ongenuanceerde woordenbrij. Niets helpt. Niemand heeft een alternatief. We zijn kapot. Het is klaar. Niemand weet het antwoord waar de democratie en de grenzeloze tolerantie nooit eerder over na heeft hoeven denken: hoe geef je iedereen recht op een mening terwijl je tegelijkertijd wilt kunnen bepalen welke mening goed is. Ik lees het interview met Hafid Bouazza en vraag me af of hij het wel weet. Moet je een ander zijn ‘cultuur’ gunnen als die zelf zegt dat te willen en jou er niet mee lastig valt en je zelf niets van die cultuur weet? Is dat dan onderdrukking? Ik lees de voetnoot van Arnon Grunberg. Klopt het wat hij zegt? Als het klopt dan zitten we vast in een eeuwige paradox. Als het niet klopt ook. Of we perken onze vrijheid in en daarmee winnen ‘zij’, of dat nou IS is of Wilders. Of we doen dat niet en laten ‘hen’ allemaal hun gang gaan, waarmee ze ook winnen. Het enige dat we nog kunnen doen is zelf radicaliseren. Dus dat doe ik. Ik verklaar het hier met volle overgave, omdat ik geen uitweg meer zie. Ik geef alles op. Alles. Ik zal heus nog de bewegingen doorgaan om in mijn eigen bestaan te voorzien: naar mijn werk gaan, praten met mensen, eten, drinken, slapen, maar het kan me niet meer schelen. Alles is hol en betekenisloos in deze niet-navigeerbare patstelling van de wereld.

Ik weet nog dat ik jaren geleden, te jong om echt te begrijpen wat hij bedoelde, maar oud genoeg om me er diep door te laten verontrusten, Youp van ‘t Hek hoorde zeggen dat Nederland af was en alleen nog maar kapot kon. Nu zijn we kapot. Overal ligt as en puin en dode lichamen en een paar opportunisten die ringen en horloges van de lijken proberen te pikken voordat ze opgeblazen worden door hun eigen radicalisatie. Ze zullen trots om zich heen kijken en blij verkondigen dat nu iedereen het met ze eens is, niet begrijpend dat dat is omdat de rest van al het leven vernietigd is. Alle alternatieven zijn eerst afgewezen, toen uitgelachen en daarna kapot geschoten. Niet als loslopend wild, want wild loopt bij ons niet los. Wild staat in de stal om melk te verkopen, of zit onder een hoofddoek waarvan we niet weten of we hem goedkeuren of niet. Wild was allang vergaan, toen wij nog dachten naar buiten te kijken en in onze eigen reflectie de schoonheid en perfectie dachten te herkennen van de wildernis en onze eigen natuur. Niet wetend dat wij niet buiten waren en dat die ander en die natuur niet bestond zoals wij dachten, er nergens ramen waren, maar alleen met bloed besmeurde muren waarop we onze nagels kapot hadden gekrabd in een wanhopige poging iets te voelen en iets anders te zien dan onszelf, omdat het wel goed toeven was in geïsoleerde veiligheid, maar we een buiten vermoedden waarvan we het bestaan niet wilden erkennen. En nu is het te laat. Ik weet niet of het eerder nog op tijd was geweest, of er ooit een kans was. Alleen dat het nu te laat is. We staan buiten. De overwinning claimend in het licht van de verslagenheid. Van wie win je als je allemaal hetzelfde bent? Als iedereen verslagen is, jezelf incluis, wat kun je dan nog verdedigen? Waar is dan het rationele denken? Linksom of rechtsom manoeuvrerend in het niets is nog altijd manoeuvrerend in het niets. En als er niets meer is om voor te vechten, als je alleen nog maar rechtop staat om te laten zien dat jij het recht hebt verworven om als laatste te sterven, dan is het voorbij. De rest lijkt stilte. Omdat je in de kakofonie van de haat en het breken van levens toondoof wordt voor het alternatief. Het enige wat overblijft. Liefde.

Dus als u mij wilt excuseren. Ik zet de t.v. uit en ik ga hier eens even lekker een potje radicaal lief zitten hebben, want iets beters weet ik niet. Er is geen ratio die ons hier nog uit gaat helpen, alleen het affect waarvan we het bestaan ontkennen, tenzij we woorden moeten geven aan de verschrikking. Ik zal liefhebben. Bind mij de bommen om. Ik ontplof om nog iets te voelen. Mijn woede is liefde. Mijn niet-begrijpen is liefde. Ik zal liefhebben. Omdat er niets anders te doen is. Omdat ik niets anders kan. Ik zal liefhebben. Altijd. En schrijven. Maar dat is eigenlijk hetzelfde.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Voorzorgsmaatregelen en eindbazen

Het was warm, en ik moest in mijn auto helemaal naar Den Haag. Nu was dat niet zo erg, want dat doe ik meerdere malen per week, maar het was wel vervelend dat mijn auto aanvoelde als de binnenkant van een hoogoven. Terwijl ik wegreed bedacht ik me dat ik het raampje wel eens open zou kunnen doen, want dan was het wat koeler. Helemaal in Thelma & Louise modus (voordat ze iemand vermoorden) reed ik weg. Niets bijzonders zou je zeggen, maar ik heb ook een dakje dat open kan, en dat zou eigenlijk veel makkelijker zijn: je hebt niet de herrie en de wind in je kop die je wel hebt met zo’n open raampje. Het dakje mag van mij alleen niet open, uit voorzorg. Ik ben namelijk bang dat ik het vergeet dicht te doen en aangezien het hier meer regent dan tijdens de gemiddelde zondvloed vermoed ik dat dat het einde zou betekenen van mijn auto. Ik doe het dakje dus nooit open. Gewoon zodat ik hem niet vergeten kan dicht te doen. Zo tref ik wel meer voorzorgsmaatregelen: watjes om mijn gezicht schoon te maken bijvoorbeeld: ik koop liever meteen twee pakken, voor als de eerste op is en ik vergeet op tijd een nieuw pak te kopen. Lunch? Ik stop het eigenlijk het liefst een dag van tevoren al in mijn tas. Is er iemand jarig? Ik ontvang die melding graag niet op de dag zelf, maar een dag van tevoren. Het enige probleem is dat ik het niet serieus genoeg neem. Verjaardagsmelding? Ik onthoud het echt niet tot de volgende dag. De helft van de keren kom ik er aan het eind van de dag achter en feliciteer dan nog even snel iemand, terwijl ik juist die ene leukerd wilde zijn die er al vroeg bij is om te laten zien dat ik zo’n geïnteresseerd mens ben. Lunch? Ik ben de volgende ochtend echt vergeten dat ik het al in mijn tas had gestopt en stop er dus nog een keer lunch in. Gisteren kocht ik nieuwe watjes. Wat bleek? Niet alleen heb ik nog twee pakken watjes, ik heb ook nog twee pakken met van die nattige doekjes voor luie mensen, een soort vochtig toiletpapier voor je gezicht. Nou ja.
Aangezien er een mazelenuitbraak is lijkt het me goed het nemen van voorzorgsmaatregelen iets serieuzer te gaan nemen. Ik heb daarom inmiddels flinke potten met vitamine A gekocht, om mijn aanstaande blindheid tegen te gaan. Daarnaast ben ik druk bezig mijn huis in te pakken in kunstgras, zodat ik op zal gaan in de omgeving en geen mazel mij weet te vinden. Ik heb ook een sniper gun gekocht, maar dat is eigenlijk meer omdat ik vind dat de buurvrouw altijd te hard praat aan de telefoon. Het punt is: al met al ben ik een echte ‘doomsday prepper’ geworden. Niet alleen omdat ik bang ben om de mazelen te krijgen, maar het is ook gewoon spannend. Vroeger moest je bang zijn als het veertig dagen en veertig nachten ging regenen: ze lachten Noach uit omdat ze het niet geloofden, zoiets ergs. Tegenwoordig zou die arme Noach evengoed weer keihard uitgelachen worden: dit keer niet uit ongeloof, maar omdat de teller bij ons al op 53 staat. Wij hoeven nergens meer bang voor te zijn, we hebben alles al gezien. Laistrygonen die je afslachten en opeten? Misschien niet als zodanig, maar we hebben tv-programma’s waarin mensen vrijwillig elkaars vlees opeten. De toorn van God? Laat ons niet lachen, alsjeblieft. We hebben Patricia Paay zelf gevraagd om in de Playboy te gaan staan. Frankenstein dan? Of Dracula? Welnee, wij hadden Hitler en Mengele en al zijn kornuiten. En laat ons niet beginnen over Stalin en de KGB. We kennen geen angst meer! Wij kijken de dood elke dag in het gezicht en lachen hem uit. Ik heb mezelf als kind laten injecteren met mazelen, zodat ik ze nu te slim af ben. De enige die ik nog moet verslaan ben ik zelf; ik ben mijn eigen eindbaas geworden, en laten we eerlijk zijn: om mij te verslaan heb je niet bepaald een Master Sword nodig. Sterker nog: ik ben al bijna op mijn eind. Gisteren kwam ik erachter dat ik vergeten ben extra vuilniszakken te kopen, en nu is de laatste vol. Uiteraard vergat ik een nieuwe rol te kopen in de supermarkt en nu gooi ik dus al de hele dag spullen in een vuilnisbak zonder zak, om ze er vervolgens weer uit te vissen, want ‘oh ja, er zit geen vuilniszak in.’ Bloedirritant, maar niet bepaald van het niveau kwaadaardigheid waar we als mensheid iets aan zouden hebben. Het is van het niveau ‘autodakje’. Als we weer iets mythisch zouden hebben om voor te vrezen zouden we ons denk ik heel anders gedragen. Niets van die overconsumptie, vreemdelingenhaat of andere uitingen van narcisme en pseudo-superioriteit. Van dat ‘Ooh, kijk mij eens met mijn zestien pakken watjes.’ Gewoon echte angst, bibberend, met zijn allen in een kamertje, omdat De Verschrikking op de loer ligt. Dat we allemaal samen op onze knietjes gaan voor ons bed, om te kijken of er echt niemand onder ligt. We kunnen weer leren zwaardvechten (dat gedoe met bommen moet ook maar eens over zijn, vind ik), en uitgerust met harnassen en helmen de straat op gaan. Probeer dan nog maar eens een pak melk te kopen en er uit voorzorg één extra mee te nemen. Het zou een driedaagse tocht worden waarbij je blij bent dat je onderweg niet wordt afgeslacht door triffids. Je zult er niet aan denken meer te nemen dan je toekomt. Volgens mij hebben we behoefte aan een beetje fantastie. Een nieuwe eindbaas. Iets waar we weer in kunnen geloven zonder het te zien, iets dat we tot leven kunnen wekken met alleen onze gedachten. Ik heb alleen even geen tijd om iets te verzinnen, want ik moet nieuwe vuilniszakken kopen. Iemand anders een idee?

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Silence is a girl’s best friend

Lieve lievelingscollega,

Ik heb geen ruggengraat, je had gelijk. Ik ben een slapjanus en een mietje. Ik ben niet gemaakt voor dit werk, ik wil veel liever schrijven. Vorige week vroeg ik me af of iets zo saai kon zijn dat je er dood van gaat. Ik zat met een meneer te praten en ik viel langzaam in slaap, terwijl ik gewoon bleef door knikken en ja zeggen. Om mezelf te vermaken bedacht ik me op hoeveel manieren ik het gesprek een verrassende wending kon laten nemen. Al snel groeide dat spelletje uit in ‘Op hoeveel manieren zou ik jou kunnen neerslaan zonder dat je het aan ziet komen?’ Ik bedacht hoe ik kon opspringen en hem op zijn kop kon timmeren met een schemerlamp. (Dat zou hij nooit verwachten!) Hoe ik kon voorstellen nog een beetje koffie te nemen en er wat schoonmaakmiddel in te stoppen. (Oh, het plezier dat ik zou hebben als hij naar de wc zou rennen!) Hoe ik hem voor kon laten gaan op de trap en hem er dan ‘per ongeluk’ vanaf kon duwen. (Ok, dat is ronduit gemeen; ik ging te ver, ik geef het toe.) Omdat ik mezelf behoorlijk grappig vond begon ik hardop te lachen om mijn eigen waanzin. De man dacht helaas dat ik zijn passie voor wat-het-dan-ook-was deelde, en riep enthousiast ‘Ik kan er de hele dag over doorpraten hoor!’ In mijn oren klonk dat als een dreigement, maar dat zei ik maar niet.
Dat laatste is precies waarom ik je schrijf. Ik zei het niet. Ik zei het weer eens niet. Wat is toch de reden dat het zo verrekte moeilijk is om je bek open te trekken? Waarom zei ik het niet? Ik had hem willen zeggen dat hij een sukkel was. Ik had hem willen vragen wat er in zijn leven gebeurd was dat hij ineens gefascineerd raakte door wat-het-dan-ook-was. Ik had hem willen zeggen dat hij ergens, onderweg, vergeten was waar het allemaal over gaat. Maar elke keer als ik op het punt sta om dat te doen, bedenk ik me dat ik zelf eigenlijk ook helemaal niets weet en niets kan. Ik heb nergens antwoorden op. Ik ben blij dat ik mezelf staande kan houden, maar ik voel me in geen enkele positie om een ander te vertellen wat hij of zij zou moeten doen. Zelfs als het een overduidelijke sukkel is die wakkergeschud dient te worden. Als het beste idee dat je zelf hebt zich strekt tot opspringen en rondzwaaien met een schemerlamp kun je misschien maar beter stil blijven. En dus knikte ik verder, inwendig nog grijnzend om mijn eigen pleziertje.
Zondagavond zag ik het weekoverzicht van het jeugdjournaal. Johan Cruijff heeft weer iets nieuws bedacht: een schoolplein voor kinderen, waar ook werkelijk op gespeeld kan worden, in plaats van dat het alleen maar grijze stoeptegels zijn. Ik vind het geweldig; er zijn spelregels bij en alles. Terwijl ik er naar keek moest ik huilen. Ik kon er niets aan doen, maar ik heb een zwak voor mensen als Cruijff, die hun eigen plan trekken, die zien wat er gebeuren moet  en het gewoon doen. De eenvoud waarmee hij verklaart dat dit beter is dan dat je maar weer met je telefoon gaat spelen. Dat hij niet eens een computer heeft of een telefoon. Ik vind hem een held. Soms maak ik dingen zo moeilijk in mijn hoofd, en dan zie ik Johan Cruijff en dan is het ineens heel makkelijk. We zouden die man met zijn passie voor God-weet-wat gewoon weer naar een schoolplein moeten sturen. Net als al die mensen die op vrijdag naar een netwerkborrel gaan, en dan thuis komen en zeggen dat het gezellig was. Al die mensen die vergeten zijn dat ze vroeger astronaut wilden worden, of Anky van Grunsven.
Ik stel voor, lieve lievelingscollega, dat we een Johan Cruijff partij oprichten, zodat mensen kunnen stemmen voor meer voetbalveldjes en schoolpleinen, zodat ze opnieuw leren hoe ze moeten samen spelen in plaats van gedwongen beschuitjefluiten als de server een keer is uitgevallen. Nou ja, ik zou het je willen voorstellen, maar waarschijnlijk zeg ik weer niets.
Gisteren zag ik de twee treurigste mensen die ik ooit heb gezien. Ze zaten op een fiets en hadden een uniform aan waarop stond ‘Toezicht en handhaving’ Waar ze precies op aan het toezien waren of wat ze probeerde te handhaven liet het uniform verder in het midden, maar ik vermoed dat ze geslaagd waren voor de figuurzaagschool en nu een nieuwe uitdaging aangingen. Ze vertelden mij en de hond van mijn ouders (die keurig aan de lijn liep) dat hij niet los mocht rondlopen. Ik zei dat hij dat niet deed, en een van de treurwilgjes zei dat ik niet zo’n grote mond moest hebben. Mijn wenkbrauwen schoten van verbazing rechtstreeks van mijn hoofd af de wijde wereld in, en mijn mond stond open. Maar er kwam geen geluid uit. Ik wilde zeggen dat hij zijn harses moest houden. Dat hij mij en mijn hond niet moest lastig vallen als we probeerden te poepen. Ik wilde vragen hoe vaak hij in aanraking is geweest met bureau HALT dat hij nu dit baantje van ze heeft gekregen. En toch zei ik niets. Niet eens een beledigd kikje of een hooghartige snuif. Gewoon geen geluid. Stilte.
Lieve lievelingscollega, ik wil de hele wereld wakker schudden, maar ik ben geen spreker, ik ben een schrijver.  Ik zou willen schreeuwen dat mijn grootste angst is dat ik ook zo eindig: dat ik een carrière krijg gevuld met netwerkborrels, dat niemand ooit verliefd op mij wordt, dat ik eeuwig ontevreden blijf met mijn lichaam. Maar ik ben geen schreeuwer, ik ben een zwijger. Ik ben niet leeg, ik zit vol met ideeën. Ik wil het wel vertellen, ik móet wel. Ooit, een dag, maar voor nu is alleen de stilte mijn publiek.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Welcome home, Hänschen family, welcome home

Iedere dag krijg ik folders. Gespamd word ik. Gestalkt. Ik zou namelijk ieder moment dood neer kunnen vallen, en het is  heel belangrijk dat ik me tegen dergelijk onheil verzeker. Althans, dat staat in die folders. Niet dat ik dan niet doodga, maar dan krijgen andere mensen geld. Dat concept snap ik als je kostwinner bent en een familie hebt, maar ik ben alleenstaand. Voor mij is een levensverzekering afsluiten hetzelfde als een prijs uitloven voor de eerste de beste uit mijn familie die een beetje vergif in mijn sla weet te stoppen. Dus, verzekeringsmaatschappij: bedankt, maar nee. Ik heb wel een ander verzoek: ik zou me graag willen laten verzekeren tegen Ty. Ty is die man uit Extreme Home Makeover, die vastgeplakt zit aan een megafoon. Ik ben doodsbang voor hem. Stel je nou eens voor: zit je nietsvermoedend op te bank te mijmeren over je naderende, onverzekerde dood, belt hij ineens aan. Hij schreeuwt in je oor hoe leuk het is dat hij er is, en blijft je steevast ‘Hänschen family’ noemen, ook al ben je alleen en verre van doof. Omdat hij denkt dat je ook infantiel bent verklaart hij met grote zwaaiende armen dat hij een ‘design team’ heeft meegenomen, en een sloopkogel, omdat hij zo’n zin heeft je huis kapot te slaan. Dat doet hij omdat hij het zo nobel vindt dat je katten verzorgt met aids. Dus, of je alsjeblieft nog vier keer voor de camera wil vertellen hoe zwaar je leven is geweest. Ik zie mezelf al snikkend vertellen hoe ik gepest ben op school en hoe erg het leven eigenlijk is voor alle blondines. En dan komt zij binnen. Met die roze helm. ‘Jij houdt van basketbal hè?’ ‘Eeh..Nee.’ ‘Jawel, jij houdt van basketbal. Ik zie het aan je. Ik ga een kamer voor jou bouwen met een basketbalthema.’ Rot op roze kuthelm, ik houd niet van basketbal, wil ik nog zeggen, maar het is al te laat. Ik word een limousine in geramd en weggestuurd naar een ver oord, waar ik niet op vakantie mag, maar de hele tijd, vastgebonden, in een hotelkamer achter een laptop moet zitten. Daarop verschijnen dan beelden van Ty, die zichzelf filmt. Ty die schreeuwt dat mijn huis nu kapot is. Ty die schreeuwt dat er een heleboel mensen zijn die zich ook willen inzetten voor mijn hiv-katten. Ty die zichzelf schreeuwend aftrekt in de resten van wat ooit mijn badkamer was. Ty die nog eens met mijn katten knuffelt, omdat iedereen bang is voor hiv, maar hij niet. Ty die schreeuwt dat hij een geheim project heeft gemaakt van mijn slaapkamer, dus hij gaat niet vertellen wat hij gaat doen. En ik maar zwaaien naar die laptop, want dat doe je als je filmpjes kijkt. Na een heleboel ooh’s en aah’s mag ik dan kijken naar mensen die zwemmen met dolfijnen en dan mag ik naar huis, want er staat al een week een bus voor mijn deur geparkeerd en niemand krijgt hem weg. Daartegen wil ik me verzekeren. En tegen de kans dat ik mijn verbouwde huis inloop, en overal basketballen zie hangen. Dat ze een raceauto maken van mijn bed. Dat ik de komende vijf jaar een foto van Ty boven mijn bank moet hangen, als eerbetoon. En dat ik dagboekvertellingen moet doen in een camera, waarin ik vertel hoe dankbaar ik ben dat hij mijn gehoor heeft verpest en mijn huis aan stukken heeft geslagen ten behoeve van zijn ego-show. Daartegen.
Dus, hier staat het zwart op wit: al red ik honderdduizend weeskinderen van een verdrinkingsdood, hoezeer ik het ook verdien, ik wil het niet. Wat er ook gebeurt, ik wil die imbeciel niet in mijn huis hebben, al maakt hij er een paleis van. Als het moet snijd ik ter plekke mijn katten de keel door, hij komt er niet in. En die roze helm trouwens ook niet, die gaat toch altijd zitten janken. Nou ja, dat laatste kan ik haar niet echt kwalijk nemen; ik zou ook heel hard huilen als ik moest samenwerken met die schreeuwlelijk, maar dat is hier niet het punt. Het punt is, beste verzekeringsmaatschappij: ik hoef geen geld als ik al dood ben. Geef me liever nu geld, zodat ik mijn huis zelf kan verbouwen, en daarmee kan voorkomen dat ik uit het raam spring, omdat die wandelende megafoon voor mijn deur staat. Als een verbouwing te duur is wil ik me ook tevreden stellen met een vals paspoort en een grote zonnebril, zodat ik ongemerkt het land uit kan vluchten indien Ty naar mij op zoek is. Ik ben bereid hier flinke premies voor te betalen; ook voor de inhuur van een arts die ter plaatse komt om euthanasie uit te voeren, mocht ik niet op tijd weg komen. Als het uw voorkeur heeft ben ik akkoord met het inbouwen van een capsule cyaankali in mijn kies, waardoor ik er op een zelf gewenst moment een eind aan kan maken. Maar, wat er ook gebeurt, help mij als het ooit zo ver komt. Ik vrees niet voor de dood, maar voor de eindeloze lijdensweg die mijn leven zou kunnen zijn, mocht ik het pad kruisen met Ty. Red mij, alsjeblieft. Wat er ook gebeurt.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

De goede burger of waarom ik zo bang ben voor mensen in uniform

Mijn chipkaart piepte naar behoren toen ik de bus instapte vanuit een dikke laag sneeuw.
Ik ging zitten en probeerde een klein beetje op te warmen, maar we waren nog niet 2 haltes verder of er stapten controleurs in de bus. Ik heb een immens ontzag voor autoriteit (ook al stelt het in werkelijkheid niets voor), en de schrik slaat me altijd om het hart zodra er iemand naar binnen komt met een uniform, die mij ergens voor kan beboeten. Ik liet mijn chipkaart zien, de Melkert-man in angstaanjagend autoritaire gele jas controleerde hem en ik kreeg hem weer terug. Er was niets aan de hand. Maar om de een of andere reden ben ik toch ontzettend bang voor deze mensen.
Als ik een politiewagen zie krijg ik acuut de neiging om op de vlucht te slaan, of mezelf met handen omhoog op de grond te werpen en uit te schreeuwen dat het me spijt en ik het nooit meer zal doen. Dat is gek, want ik doe namelijk nooit iets crimineels. Ik overtreed geen regels en houd me zelfs keurig aan de maximum snelheid (ok, dat doe ik omdat ik in november een boete heb gehad van 220 euro en daarmee mijn boete budget van het gehele afgelopen en komende jaar meteen heb overschreden.) Maar al met al ben ik een enorme brave borst, die niets te vrezen heeft van onze in blauw gestoken kameraden. Toch is het zo. En ik weet niet waarom. Ik denk ook altijd dat ze voor mij komen, als er ergens agenten op straat zijn. Alsof ik eindelijk door de mand ben gevallen, ze weten wat ik allemaal doe, en ze mij nu komen arresteren voor alles wat ik al die tijd onder hun ogen, edoch in het geheim heb uitgespookt. Spookte ik maar wat uit! Ik ben zo braaf dat ze me misschien daar wel voor zouden moeten arresteren. Een beetje Hollander is tenslotte toch burgerlijk ongehoorzaam, en vindt dat de regels er zijn om overtreden te worden. Ik vind mezelf al rebels als ik het verplichte mandje in de supermarkt een keer niet meeneem, omdat ik alleen een pak yoghurt wil halen.  Dus toen ik dat laatst deed, durfal die ik  ben, kwam de manager recht op mij af gelopen. Hij komt voor mij, dacht ik. En lo and behold, hij kwam voor mij. Of ik volgende keer alsjeblieft gewoon een mandje wilde meenemen, want er stond tenslotte toch een bordje dat dat verplicht was. En dat hing er niet voor niets. ‘Het spijt me, meneer de manager,’ zei ik, ‘Ik zal het nooit meer doen.’ En daarom ben ik bang voor mensen in uniform. Omdat ze me altijd weten te vinden.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

© 2020 Ondoenlijk

Theme by Anders NorenUp ↑